

Door Lev Detrez
Een beetje verlies hebt ge altijd
Een wijze coach van een op papier onverslaanbare ploeg zei ooit: “Hoe meer ge wint, hoe dichter ge bij verlies komt”. Grammaticaal correct, inhoudelijk helemaal van ‘t padje. Zo kennen we hem. Tegelwijsheden bij de vleet en op geijkte momenten een tournee. Zalig.
Als de weg er naartoe drie keer langer duurt dan de officiële speeltijd, dan weet ge dat ge of diep in de Limburg zit, of diep in West-Vlaanderen. ‘t Was het laatste. Roeselare: noch bos, noch zee. Wel ver rijden. Langs Lokeren, Gent, Kortrijk en Izegem. Helemaal tot daar waar ze de mensen ondertitelen.
Terwijl bussen vol Japanse toeristen zich in de Rodenbachstad focussen op de belforttoren en het Klein Seminarie, alwaar ze zich traditioneel suf fotograferen, wordt Den Drei op de warmste zaterdag in september ooit in de gehele geschiedenis van de mensheid, verwacht in een plaatselijke sportzaal met punt-elastische vloer, gelegen in de Blekerijstraat, voor het spel waar ons hart vol van is. We hebben er véél voor over. Om 19u30 op 126 km van uw eigen warme nest aan de opwarming beginnen bijvoorbeeld, om een uur later de tweede wedstrijd van het nog prille seizoen aan te vangen… faut le faire. Da’s passie.
En deze keer zonder kol, want Team Roeselare houdt zijn ballen graag griploos en bezweet. Ieder zijn ding, ieder zijn genot. Ook van genoten: de twee aanwezige lokale scheidsrechters die nog hoogstpersoonlijk getuigen waren van Schuwe Maandag. Google dat maar. En schuw dat ze waren om ook maar één foutje bij de thuisploeg te fluiten. Het was wel Vrijgevige Zaterdag qua twee minuten straftijd aan onze kant. Google dat maar niet.
Swat, daar moeten we boven staan. Hand in eigen boezem dan maar. We zouden allerlei excuses kunnen verzinnen of alternatieve feiten op tafel gooien waarmee we de pijn proberen te verzachten. We kunnen het steken op het fluitconcert van Bompa Scheid, op de tropische temperaturen, de bal, de zaal, het late uur, Willy Phlypo... op eender wat.
Onwaarheden en frustraties. Overdrijvingen en gezwans. We moeten het durven erkennen, onder ogen zien en toegeven. Het verlies is groot. Niet per se de wedstrijd, daar hoeven we niet al te lang bij stil te staan. In voetballand zouden drie doelpunten op dertig minuten onder ‘waar voor uw geld’ vallen. In het handbal is dat echt te weinig om een tweede helft mee door te komen. Tel daarbij op, een bezoekende keeper wiens schelp nog naar de verpakking ruikt. De rekening werd ons gepresenteerd, en we konden niet anders dan ze betalen. Daar waren we halverwege de derde helft al over.
Het was écht een groot verlies, want de sponsor van de shotjes op de nu al legendarische Drei-feestjes is erin geslaagd te struikelen over een denkbeeldige streep en daarbij met volle overgave ene belangrijke pees te scheuren — die ene die verwijst naar de belangrijkste held uit de Trojaanse Oorlog. Spijtige zaak. Met spoed naar de spoed. De automatische poorten van het heilige Sint-Vincentius openden zich, waarna een dozijn verpleegsters zich met een overdosis liefde over de vier van Den Drei ontfermden. In zijn kielzog een bezorgde coach, en nog wat later 7 ploegmakkers die wat gouden medicijntjes met witte schuimkraag kwamen brengen. Toch een klein gelukje dan. ‘t Is en blijft een ploegsport natuurlijk. En een plezante. Ondanks dat puntenverlies. Dat maken we wel goed. Dat halen we wel in. Den Drei vergeeft, maar vergeet niet. Dat de wraak op Roeselare zoet zal zijn. En kleverig. Onze ballen plakken wel… En dat zullen ze heweten hebben.
Volgend weekend rust. Niet enkel voor de revaliderende. ‘t Zal deugd doen. Het seizoen was al zwaar. De weg naar Liga 2 is nog lang. Het is een gegeven dat het avontuur nog vol onvoorziene omstandigheden en verrassende wendingen zit.
En een beetje verlies, dat hebt ge altijd.